![]() |
Blokverwarming uit het verdomhoekje (2)Systemen voor collectieve verwarming leiden tot heftige reacties. Meestal wijst de beschuldigende vinger naar blokverwarming in stapelbouw uit de periode van 1960 tot 1980. Een collectief ketelhuis voor ruimteverwarming met radiatoren aan stijgstrangen. Met keukengeisers of elektrische boilers voor het warme tapwater. De kritiek richt zich trouwens zelden op de energiebron. Waar klagen bewoners wel over? Knelpunten Drie van de belangrijkste knelpunten. Allereerst de ondoorzichtige energienota. Ten tweede speelt de beperkte individuele regelbaarheid een grote rol. Ten derde de weinige flexibele exploitatie. Niet voor niets komen deze installaties in nieuwbouw van na 1980 niet meer voor. De aversie leidde er bovendien toe dat de afgelopen drie decennia veel van dit type installaties geïndividualiseerd zijn. Iedere woning een eigen verwarmingsketel. Toch komen er nog steeds honderdduizenden woningen met een dergelijke collectieve installatie voor. Is er nog toekomst voor dit type blokverwarming? Hoe komt blokverwarming uit de periode van 1960 tot 1980 uit het verdomhoekje? Korte exploitatieperiode De oplossing schuilt in het elimineren van knelpunten en benutten van kansen. Allereerst de antwoorden op het grote pijnpunt: de woninginstallatie. Bij een beperkte resterende exploitatieperiode gaat het natuurlijk om kleinere ingrepen en dito investeringen. Betere bedieningsmogelijkheden voor bewoners. Goede thermostatische radiatorventielen met zo nodig voelers en bediening op afstand. Nauwkeurige afstelling van stooklijn en optimale waterzijdige inregeling. Op afstand uitleesbare radiatormeters gecombineerd met heldere communicatie over meetsysteem en wijze van factureren. Verwijdering van geisers en boilers ten faveure van veilige en duurzame systemen. Bijvoorbeeld centrale bereiding van het warme tapwater met benutting van de gratis warmte van de zon. Lange exploitatieperiode Een langere restant exploitatieperiode levert meer geavanceerde oplossingen op. Bijvoorbeeld centrale aansluiting van woningen op het collectieve systeem. De installatie functioneert nu vergelijkbaar met de individuele combiketel. Kamerthermostaat en eigen tapspiraal. Een op afstand uitleesbare absolute warmtemeter registreert nu het energieverbruik. Helder en transparant. Kansen Ten slotte benutting van kansen. De centrale energiebron. Focus op verlaging van onderhoudslasten. Immers slechts één grote verwarmingsinstallatie in plaats van vele kleine. Een gebouwbeheersysteem levert permanente monitoring op afstand op. Belangrijkste kwaliteit blijft natuurlijk de inpassing van duurzame energie. Denk aan gasabsorptiewarmtepompen, zonne-energie, houtpelletketels of stadsverwarming. Op korte of op langere termijn. |
![]() |